Opiniestuk Glazen Klif (ongepubliceerd)

Musea breken het glazen plafond, maar duwen vrouwen van de glazen klif.
Opiniestuk door Nina Folkersma (ongepubliceerd), 3 april 2026

Musea presenteren zich graag als voorlopers van verandering. Vrouwelijke kunstenaars worden herontdekt, collecties herschikt en tentoonstellingen inclusiever gemaakt. De canon, zo klinkt het, wordt eindelijk herzien. Maar terwijl musea hun blik op het verleden bijstellen, tekent zich in het heden een ongemakkelijke tegengestelde beweging af: vrouwelijke leiders blijken opvallend kwetsbaar.

Internationaal is het patroon moeilijk te negeren. Vrouwelijke museumdirecteuren raken verwikkeld in publieke conflicten, worden onderwerp van intern onderzoek of vertrekken onder druk. Zo kreeg Kim Sajet bij de National Portrait Gallery in Washington te maken met politieke inmenging vanuit het kamp van Donald Trump. Sasha Suda werd abrupt ontslagen bij het Philadelphia Museum of Art na interne spanningen over koers en bestuur. Ook Maria Balshaw, de eerste vrouwelijke directeur van Tate in Londen, legt vervroegd haar functie neer tegen een achtergrond van interne onrust en kritische publiciteit. De oorzaken verschillen per geval, maar de rode draad is zichtbaar: vrouwelijke leiders worden vaker het gezicht van crises, en ook vaker degene die uiteindelijk moeten vertrekken. De Britse kunstjournalist Charlotte Burns vatte het in de Financial Times kernachtig samen: Men retire, women get fired.

Ook in Nederland stonden de afgelopen jaren meerdere vrouwelijke museumdirecteuren onder druk. Het ontslag van Birgit Donker bij het Nederlands Fotomuseum, het onderzoek naar Jacqueline Grandjean bij Het Noordbrabants Museum en het vertrek van Bregtje van der Haak bij Eye Filmmuseum laten zien hoe spanningen rond vrouwelijke leiders snel verharden en zich op de persoon toespitsten. Elk dossier heeft zijn eigen dynamiek, maar samen roepen ze de vraag op of hier meer speelt dan toeval.

Wat zich hier aftekent, raakt aan een bekend fenomeen uit de bestuurskunde: de glass cliff. Waar het ‘glazen plafond’ vrouwen tegenhoudt op de weg naar de top, worden ze bij de ‘glazen klif’ juist naar voren geschoven wanneer organisaties al in zwaar weer verkeren of voor een complexe veranderopgave staan. De opdracht is risicovoller, de ruimte om fouten te maken kleiner en de kans op mislukking groter. Leiderschap begint dan niet op een stabiel plateau, maar op de rand van een afgrond.

Juist in de museumsector is dat mechanisme goed zichtbaar. Veel instellingen bevinden zich in een overgangsfase: ze willen inclusiever worden, hun collecties verbreden en hun maatschappelijke rol herdefiniëren. Dat zijn ambities die frictie oproepen — met personeel, toezichthouders, financiers en publiek. In dat krachtenveld zijn de afgelopen jaren relatief vaak vrouwelijke directeuren aangesteld, juist omdat zij geacht worden die verandering te dragen. Die verwachting creëert ruimte, maar ook een kwetsbare uitgangspositie. Zodra die koers weerstand oproept, kantelt het oordeel: wat eerst vernieuwend leek, wordt dan al snel geframed als problematisch of polariserend.

Die reactie komt bovendien vaak uit de sector zelf. Toen Margriet Schavemaker als directeur van het Kunstmuseum Den Haag expliciet ruimte maakte voor vrouwelijke kunstenaars, volgde kritiek van voormalige museumcoryfeeën, die spraken van ‘doorgeslagen feminisme’. Die reflex is veelzeggend: wat decennialang als neutraal gold, weerspiegelt in werkelijkheid vooral een cultuur gevormd door mannelijk-georiënteerde normen, en elke poging om dat te corrigeren wordt al snel gereduceerd tot iets dat moet worden ingedamd. 

Daar komt een bredere maatschappelijke dynamiek bij. In politiek en media worden ideeën over ‘sterk leiderschap’ opnieuw verbonden met traditionele vormen van mannelijkheid: standvastigheid, conflictbereidheid, onaantastbaarheid. Vrouwen in machtsposities worden daarentegen sneller geassocieerd met instabiliteit of verdeeldheid. Die dubbele standaard werkt door in hoe museumdirecteuren worden beoordeeld — en hoe snel kritiek escaleert.

Voor musea legt dit een ongemakkelijke spanning bloot. Het is relatief eenvoudig om progressieve waarden te omarmen in tentoonstellingen en programmering. Veel lastiger is het om diezelfde waarden door te vertalen naar de eigen bestuurscultuur. Wie werkelijk wil veranderen, moet niet alleen de collectie herzien, maar ook de voorwaarden waaronder leiderschap functioneert. Dat vraagt om meer dan goede intenties: raden van toezicht die hun directeur steunen wanneer conflicten ontstaan, in plaats van afstand nemen; bestuurlijke structuren die ruimte laten voor frictie en experiment; en een sector die kritiek op leiderschap niet automatisch personaliseert, maar ook institutioneel weet te duiden.

Zonder die voorwaarden dreigt een paradox: musea die vooroplopen in het herschrijven van de geschiedenis, maar achterblijven in het vormgeven van hun eigen toekomst. Het vieren van vrouwelijke kunstenaars is belangrijk, maar zolang de leiders die deze verandering moeten dragen structureel kwetsbaarder blijven, is er geen sprake van een revolutie — hooguit van een bijstelling: zichtbaar in de zalen, maar nog niet verankerd aan de top.

Nina Folkersma is onafhankelijk curator en werkt als interim curator moderne en hedendaagse kunst voor verschillende (inter)nationale musea.